emissiereductie

Vermindering Methaanuitstoot
Sinds enkele jaren wordt voortdurend de melkveehouderij in diskrediet gebracht vanwege zijn bijdrage aan de wereldwijde methaan emissie. Terwijl in de algemene wetenschapswereld slechts globale onderzoekresultaten voorliggen naar de feitelijke methaanemissie. Er wordt gezocht naar mogelijkheid tot vermindering in enerzijds aan de voorkant van het dier (pens, uitademing) en anderzijds de hoeveelheid aan de achterkant van het dier, te weten de scheten en dat wat via de mest vrij komt, direct, tijdens de opslag. Op basis van onderzoeksresultaten van eerder uitgebreid onderzoek m.b.t. ammoniakemissie in het FIR kringloopsysteem mag worden verwacht dat het FIR kringloopsysteem reeds nu een goede bijdrage levert aan de beperking van de emissie aan de “achterkant van het dier”. Ook op diverse onderzoekinstellingen wordt verwacht dat door bijstelling van het rantsoen het mogelijk is de methaanuitstoot te beïnvloeden. Methaan ontstaat bij omzettingen bij zeer lage redox potentialen. Eurolab vond uit dat de hoeveelheid toegevoegd FIR een correlatie had met de redoxpotentiaal en de potentiële redoxpotentiaal in de feces. Deze werd hoger, waardoor minder diepe anaerobe spots in de mest voorkomen, waaruit het methaan kan ontstaan. Hiernaast worden vooral in de drijfmestkelders zeer lage anaerobie (gemeten o.m. als redox potentiaal). Dit komt door de inwerking van de urine op de feces in het produceren van drijfmest. Redoxwaarden van ca min 400 tot 450 zijn in drijfmest heel gewoon. Dit is nu precies het niveau waarbij gemakkelijk (blauwzuur) en methaan kan ontstaan. Uit talloze tests die wij op dit punt hebben verricht, blijkt dat het aandeel ammonium in de mest de mate van anaerobie ondersteunt. Van goedwerkende FIR kringloopbedrijven is bekend dat zij enerzijds ca 40-75% minder ammonium in de mest hebben. Anderzijds houden zij in de mest aan het einde van het stalseizoen gemiddeld ca 10% meer organische stof over. Dit is zeer waarschijnlijk te verklaren uit de lagere afbraaksnelheid van de organische stof in de mestkelder door de hogere redoxpotentiaal. Een klein deel van het verlies aan organische stof, indien men geen FIR kringloop rantsoen voert, is door middel van methaanemissie uit de mest verdwenen. Het grootste deel verdwijnt in de vorm van CO2 dat minder schadelijk wordt geacht dan methaan m.b.t. eventuele klimaateffecten.

Vermindering ammoniak
De huidige opslag van drijfmest, een mengsel van urine en vaste mest, leidt ertoe dat de vaste bestanddelen van de mest gaan drijven op de vloeibare fractie. Dit reduceert de verhouding koolstof/stikstof tot 1:80. In deze verhouding kan de aanwezige stikstof niet worden omgezet in het zeer gewenste microbieel eiwit, omdat er veel te weinig koolstof aanwezig is. In dit geval vindt er een reactie plaats waarbij de stikstof als ammoniak de lucht ingaat terwijl de stikstof eingenlijk tot eiwit behoort te worden omgevormd en daardoor niet als gas en uitspoeling in nitraatvorm in het milieu terecht komt. De gevolgen zijn kwalijk. In de mestput onstaat rotte mest vanwege de slechte verhouding stifkstof/koolstof. Uit die rotte mest komen door chemische omzettingen giftige gassen vrij, waaronder ammoniak en methaan. Rotte mest is funest voor mens en mileu en er kan nooit duurzame kringloop landbouw mee worden gedreven.

De negatieve effecten van drijfmest kunnen wel degelijk teniet worden gedaan door het toepassen van het FIR systeem. FIR humic clay dat aan het ruwvoer wordt verstrekt voorkomt dat tijdens de spijsvertering schadelijke stoffen als mycotoxine en fenolen worden gevormd. Dergelijke stoffen beinvloeden het aantal kiemvormige eenheden negatief in de drijfmest, waardoor ammoniakemissie ontstaat.

Rijpe mest: rijpe mest valt onder andere van rotte mest te onderscheiden door kiemvormige eenheden kve’s. In rotte mest zitten twee tot drie miljoen kve’s per gram mest en in rijpe mest zitten tachtig tot honderd miljoen. Hoe meer kiemen in de mest hoe meer stikstof in de mest aan eiwit is gebonden. Dit bewijst onder andere dat de ammoniakuitstoot niets te maken heeft met de manier van uitrijden van mest, maar de uitstoot heeft te maken met de foutieve manier van mestopslag, en de daaruit voortkomende kwaliteit van mest.


Toxine Bindend
fir2  Krachtvoer / eiwit besparing 
fir3 Verbetering van smaak en kwaliteit van melk en vlees
fir4 Emissiereductie van:  ammoniak, methaan, geur, blauwzuur 
fir5 Draagt bij aan hoger organisch stofgehalte in (drijf)mest 
fir6 Draagt bij aan:  bodemgezondheid 
fir7 Draagt bij aan:  bedrijfshygiëne 

Nieuwsbrief